Startpagina E-Mail Nieuws Funnie van de week
       
 

Spelling

  

 
leerlingen

leerkrachten
Ouders

Werkwoordspelling

 

 

Werkwoorden

Een werkwoord geeft aan wat iemand of iets doet.

bv Ramon snurkt, De kraan lekt, Rozen verwelken...

 

Er zijn twee soorten werkwoorden: sterke en zwakke.

Bij sterke werkwoorden krijg je in de verleden tijd een klinkerverandering. bv loop - liep.

Bij zwakke werkwoorden krijg je in de verleden tijd achter de ik-vorm;

ik-vorm + te (als het onderwerp enkelvoud is)

ik-vorm + ten  (als het onderwerp enkelvoud is)

ik vorm + de (als het onderwerp enkelvoud is)

ik-vorm + den (als het onderwerp enkelvoud is)

 

Bij zwakke werkwoorden moet je dus kijken naar de laatste letter van de

ik-vorm om te weten of je er "te of ten" of  "de of den" achter moet plakken.

 

Is de laatste letter van de ik-vorm WEL een t, k, f, s, ch, p dan schrijf je de ik-vorm met te of ten (afhankelijk van het onderwerp)

Is de laatste letter van de ik-vorm NIET een t, k, f, s, ch, p dan schrijf je de ik-vorm met de of den (afhankelijk van het onderwerp)

 

Let op: woorden die in het meervoud een v of een z hebben die in enkelvoud naar een f of een s veranderen daarbij moet je de officiële

ik-vorm gebruiken.

 

Dus:    

Hele ww    officiële ik-vorm        ik-vorm           verleden tijd

  verven        ik verv                    ik verf          verfde of verfden

   reizen         ik reiz                     ik reis          reisde of reisden

 

Is de laatste letter van de officiële ik-vorm NIET een t, k, f, s, ch, p dan schrijf je de ik-vorm met de of den (afhankelijk van het onderwerp)

 

 

Voltooid deelwoord

Een voltooid deelwoord ontstaat als je een vorm van zijn, hebben of worden voor een werkwoord zet.

Het is dus geen persoonsvorm!

 

ik lees een boek.                                ik heb een boek gelezen.

     pv                                                       pv                   volt. dw

 

Hoe schrijf je een voltooid deelwoord?

1.       Kijk naar de laatste letter van de ik-vorm.

2.       Is de laatste letter van de ik-vorm een t, k, f, s, ch, p dan schrijf je het voltooid deelwoord met een t.   bv ge-werk-t

3.       Is de laatste letter van de ik-vorm NIET een t, k, f, s, ch, p dan schrijf je het voltooid deelwoord met een d.   bv ge-open-d

4.       ook zijn er voltooid deelwoorden die eindigen op -en. Voornamelijk zijn dat voltooid deelwoorden die afgeleid zijn van sterke werkwoorden. bv Jan is naar huis gelopen.

5.       Vergeet niet de uitzonderingen....

 

Een voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord gebruikt.

 

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets (geeft extra informatie) over een zelfstandig naamwoord.

bv: Het kleine meisje kreeg een heerlijke appel.

kleine zegt iets over het meisje en heerlijke zegt iets over de appel.

 

Vaak kan je ook voltooid deelwoorden als bijvoeglijk naamwoord gebruiken. ze geven dan ook extra informatie over een zelfstandig naamwoord.

 

Het gestrande schip moest worden gesloopt.

gestrande is het bijvoeglijk naamwoord dat zegt iets over het schip. Namelijk dat het gestrand is. Gestrande komt van het werkwoord stranden. En het is als voltooid deelwoord geschreven als gestrand.

 

De etalages zijn geverfd.

in deze zin is geverfd het voltooid deelwoord.

 

De geverfde etalages zagen er parachtig uit.

In deze zin is geverfde het bijvoeglijk naamwoord.

 

Hoe schrijven we dan een voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord?

1.       Eindigt een voltooid deelwoord op -en, dan verandert er niets. bv Het brood is gebakken. Het gebakken brood ruikt lekker.

2.       Eindigt een voltooid deelwoord op een t of een d, dan schrijf je alleen een - e achter het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord. 

bv

- De schepen zijn gestrand.          De gestrande schepen .... 

- De bomen zijn geplant.                De geplante bomen...........

- De deuren zijn geverfd.               De geverfde deuren..........

 

Let op:

Ik noem dat de JOEHOE-woorden.

Vergeet niet de spellingsafspraken, want na een korte klank schrijf je een medeklinker natuurlijk dubbel...en bij een dubbele oo schrijf je er 1 klinker minder...

 

De uitgeputte mannen liggen in het gras.                ipv uitgepute

Het gewitte plafond ziet er weer keurig uit.              ipv gewite

De vergrote foto was gescheurd.                             ipv vergroote

De verbrede weg is een stuk veiliger geworden.     ipv verbreede

 

 

Tegenwoordig deelwoord

Het tegenwoordig deelwoord geeft extra informatie hoe het onderwerp iets doet.

De meest eenvoudige toepassing van een werkwoord is waarschijnlijk het tegenwoordig deelwoord.

Het enige dat je hierbij hoeft te doen, is de letter 'd' achter het hele werkwoord (de infinitief) te zetten!

 

Voorbeeld:

zwaaien

liften

liggen

lachen

huilen

zwaaiend

liftend

liggend

lachend

huilend

Zwaaiend keken wij onze buren na.

Mijn broer is van plan liftend naar Spanje te reizen.

Languit liggend in het gras zag ik de wolken voorbij trekken.

Hij bekent luid lachend dat het een grap geweest was.

Huilend kwam de kleuter bij zijn juf.

 

In ouderwetse zinnen kom je het tegenwoordig deelwoord ook nog wel eens tegen met een extra -e.

Dan krijg je zinnen zoals deze.

 

zwaaien

lachen

zeggen

zwaaiende

lachende

zeggende

Zwaaiende en lachende keken zij toe hoe het schip uit de haven vertrok.

Zo vertrok hij, zeggende dat er een andere tijd zal aanbreken.